Sporen uit het verleden
Het oudste gedeelte van de huidige parochiekerk is de toren, die in zijn onderste lagen uit de eerste helft van de 11 e of 12 e eeuw zou kunnen dateren. Sporen uit het verre verleden zijn nu nog het duidelijkste terug te vinden aan deze toren, die naar wordt vermoed, bij een gedeeltelijk in maaskeien opgetrokken zaalkerkje behoorde. De onderste drie geledingen bestaan uit kolenzandsteen, maaskeien en grijze hardsteen, vooral op de hoekpunten. Deze stenen zijn mogelijk afkomstig van fundamenten en basementen van Romeinse gebouwen als een vorm van hergebruik. Hoeveel de toren in de loop der jaren aan omvang heeft verloren, is duidelijk zichtbaar aan de vooral hardstenen voet van de toren. De bovenste geleding bevat tufsteen en mergel, ook zijn oude en nieuwe (veldbrand)stenen gebruikt. In de onderbouw zijn resten van Romeinse fel rode vloertegels en dakpannen verwerkt (tegulae en imbrices).
|
|
| Deel van de kerktoren, rechts naast de ingang. Zichtbaar zijn tegulae, Romeinse vloer-/bouwtegels. | |
Uit Naamse steen zijn de smalle steunpilaren in de galmgaten, een plaats in de toren waar de aantasting door zure regen en andere milieu-invloeden enorme verwering laat zien. Ook de tufsteen met name in het hoogste segment heeft zeer te lijden van invloeden van buiten, omdat het materiaal zeer zacht en poreus is en daardoor vochtopnemend. Sterke vocht brengt dan de nodige zorgen.
Enkele zeer oude bouwelementen zoals de 4 ronde hardstenen trommel-zuilen met Maaslandse kapitelen uit de vroegere zaalkerk werden in 1901 en 1906 voor het middenschip opnieuw gebruikt. Het interieur van de kerk onderging rond 1965 een grondige verandering, mede als gevolg van de nieuwe inzichten met betrekking tot de viering van de liturgie. Het neogotische hoofdaltaar (een werk van de “Meester van Waldfeucht” Walker of Van Helden en de beide zijaltaren werden verwijderd (links de familie Vogels, rechts De Horion en De Meer), de preekstoel verplaatst, het oksaal boven de ingang werd afgebroken.
Er kwam een nieuwe houten altaartafel op de rand van het verhoogde priesterkoor en orgelpijpen van het 21 registers tellende Vermeulen-orgel verschenen onder en gedeeltelijk tegen de glas-in-loodramen in de apsis. De houten zitbanken werden vervangen door metalen stoelen met groene stofbekleding. Slechts de zeer ongemakkelijk zittende “armenbankjes” (uit het eerdere interieur) aan de beide zijmuren van het schip onder ramen met decoratief glas-in- lood bleven tot heden.
